In de media

Door onze lokatie tussen Hilversum en Amsterdam en onze bijzondere manier van agrarisch ondernemen, worden wij regelmatig gevraagd voor interviews, artikelen in magazines en radio- en tv-optredens. Een aantal van deze filmpjes en artikelen zijn hieronder terug te vinden. Ook schrijft Hanna wekelijks een column in de Nieuwe Oogst (krant van LTO-Nederland) en het Weespernieuws. Deze verhaaltjes zijn ook terug te vinden op deze pagina.

Week 1

Ganzenschade

Wie rond deze tijd van het jaar door de polder loopt of fietst kent vást het beeld en geluid van duizenden ganzen die zijn neergestreken in een weiland. Een Hollands plaatje, maar door de boeren ongewenst. Ganzen zijn net als koeien echte graseters en vreten met gemak en in rap tempo een heel land kaal. In de winter al frustrerend, maar in de lente écht een enorme schadepost: het frisse voorjaarsgras is immers voor de koeien bedoeld. En voor hen laten de ganzen maar weinig over.

Om deze schade te verhalen kunnen agrariërs terecht bij het Faunafonds. Dit fonds ziet de schadeclaims de laatste jaren snel toenemen: in 2012 keerde het 9,2 miljoen euro uit, in 2016 18,8 miljoen, in 2018 22 miljoen. Deze explosieve groei is het gevolg van een jaagverbod op de grauwe gans in de eerste tien jaar van deze eeuw. Inmiddels is afschieten toegestaan als de ganzen aantoonbaar ellende veroorzaken. In de polders rondom Weesp controleert een jager de weilanden en verjaagt hij de ganzen. Maar om nu te zeggen dat dit dé lange termijnoplossing is…

Week 2

Stinkkaas

In de maanden december en januari maakt boer Boy geen nieuwe kaas. Niet omdat hij geen zin heeft, of zijn tijd liever onder de kerstboom doorbrengt. Boy: “De afgelopen jaren mislukten de meeste kazen in de wintermaanden. En ik denk dat ik weet waarom: onze koeien liggen in de stal op houtsnippers. Deze zijn goed voor de absorptie van urine en mest en de binding van stikstof aan koolstof. Zo komen er minder schadelijke en stinkende stoffen vrij. Maar doordat de houtsnippers momenteel koud en vochtig zijn, duikt de boterzuurbacterie op. In de melk die bedoeld is om te drinken is dat niet erg – boterzuur is zelfs gezond voor de menselijke darm. Maar de kazen die we met boterzuurmelk bereiden worden ranzig. Ze gaan stinken en krijgen grote gaten.”

Nu kan de groei van de boterzuurbacterie worden geremd door aan de melk salpeter toe te voegen, maar op een biologische boerderij is deze hulpstof verboden. Net zoals we ook geen kleurstof mogen toevoegen, waardoor onze kazen altijd een beetje bleek blijven. Dat terzijde: boer Boy heeft even zijn handen vrij voor andere klussen. En gelukkig liggen er nog zo’n 170 kazen te rijpen in onze kaaskelder. Voorraad genoeg!

Week 3

Een tikkeltje onvoorspelbaar

Op ons erf hebben we twee honden: Dinky en Senna. Senna hoort bij ons gezin en is een kruising tussen een Mechelse herder en een Golden Retriever. Zwart als roet, rank en enthousiast. Vrolijk kwispelend begroet ze iedereen die het erf betreedt, tenzij na zes uur ’s avonds; dan wordt ze waaks. Ideaal.

Senna vangt ratten, eet de nageboortes van de koeien op (voedzaam!) en helpt in de zomer mee de koeien uit het weiland te halen. Ze rent rondjes, blaft en bij de runderen die onverstoord blijven liggen springt ze op de rug. Gedrag dat we nog niet eerder bij haar zagen en dat ze soms moet bekopen met dreigende hoorns van de koeien. “Niet te serieus, Sen.”

Het enige moment dat we Senna binnenhouden is wanneer er een schoolklas arriveert voor een rondleiding of kaasworkshop. Dertig gillende mondjes en grijpende handjes maken haar zo nerveus dat ze al een paar keer een knauw gaf. En hoewel ik Sen wel snapte en ook aan de kinderen uitlegde dat honden geen knuffelberen zijn waar je alles mee kunt doen, wil ik dit soort situaties toch voorkomen. Want kinderen blijven kinderen, honden blijven honden: allebei een tikkeltje onvoorspelbaar.

Week 4

Rokende poep

“Mama, kom snel”, roept onze zoon Olle (6) bij de voordeur. “De berg staat in brand.”
“De berg? Welke berg?”
“De berg met poep, achter de stal. Hij rookt!”
Ik schiet in de lach. “Lieve schat, dat hoort. Papa en Boy hebben het bed van de koeien verschoond en alle mest op een hoop gegooid. Die ligt nu te composteren.”
Olle kijkt me niet-begrijpend aan. “Zit er dan vuur onder?”
“Nee, ik zal het je uitleggen. Onze koeien liggen in de stal op houtsnippers. Daar poepen en plassen ze op en om te voorkomen dat de koeien in hun eigen drek liggen, legt papa er elke dag een schone laag houtsnippers bovenop. Laag houtsnippers, laag poep. Laag houtsnippers, en zo door.”
“Een soort taart”, lacht Olle.
“Precies. En als de taart te hoog wordt maken we de stal leeg. Buiten schuift de shovel alle houtsnippers en poep op een hoop. Daarin zitten hele kleine beestjes; bacteriën. Bacteriën eten graag poep. Daar worden ze lekker warm van, waardoor de hoop gaat roken. Door de warmte komen er ook steeds meer bacteriën bij. Samen zorgen ze ervoor dat de houtsnippers veranderen in compost, een soort voedsel voor het gras. Dus als je dat over een tijdje met papa op het weiland gooit, kan het gras weer groeien. Mooi he.”
“Ja, goed bedacht”, zegt Olle. “Wel jammer dat de brandweer nu niet komt.”

Week 5

“Zijn dit échte dieren?”

De groepen 5 t/m 8 van een Islamitische basisschool uit Almere komen deze weken omstebeurt kaas maken op onze boerderij. Net als elke andere schoolklas knijpen de leerlingen direct hun neus dicht als ze op het erf arriveren. “Wat stinkt het hier!” En: “Help, mijn schoenen worden vies.” Dat duurt ongeveer 5 minuten. Daarna volgen de “Aaah’s” en “Oh my God’s.” Ook nu weer. “Zijn dit échte dieren?” vraagt een jongetje uit groep 5. “Kunnen deze koeien écht melk geven? En leggen de kippen échte eieren?” Ik knik. “Cool he.” De kinderen aaien en voeren en vergeten bijna dat ze voor iets anders komen. “Kom, we gaan handen wassen en kaas maken”, roep ik en neem ze mee naar onze Acapellazaal, waar de pannen en kaaspers al klaarstaan.
In groepjes verwarmen de leerlingen de melk tot 29 graden, waarna ze al roerend zuursel en stremsel toevoegen. Na een half uur wachten – tijd voor een pakje drinken en een boterham -, snijden ze de dik geworden melk (wrongel) in stukjes. We verwarmen de pan opnieuw, scheppen de wrongel in kaasvormpjes en persen het laatste vocht eruit. En dan: 23 kindermondjes die gulzig van de kaasjes proeven. Goedkeurend gesmak, trotse koppies. Om van te genieten!

Week 6

Tochtige koeien

Beiden zwart-wit, maar in tegenstelling tot de panda is een koe elke drie weken vruchtbaar. Of, zoals een boer het noemt: tochtig. Een tochtige koe heeft een verhoogde lichaamstemperatuur, is onrustig, verliest slijm uit haar vulva en loeit veel. En hard. Door haar welwillende gedrag wordt ze ook besprongen door andere koeien. Voor ons een teken dat ze naar het hok van de stier mag.
Onze stier Brinko is nu ruim twee jaar en heeft al veel kalfjes op de boerderij rondlopen. Zijn zaad blijkt goed. Zijn zin ook: als hij een tochtig vrouwtje ziet brult hij hard en onlangs beukte hij met zijn kop dwars door een hek om bij haar te komen. Een autokrik was nodig om hem te bevrijden. Maar tegen te houden was hij niet: in plaats van erdóór sprong hij een week later óver het hek. Niet geheel ongevaarlijk.

Voor mensen is Brinko nu nog wel lief. Zodra een stier drie jaar is, wordt het testosterongehalte hoger en wordt hij agressief. En omdat we willen voorkomen dat hij zijn eigen dochters na 1,5 jaar bevrucht, zal Brinko dan de boerderij verlaten. Maar nu geniet hij nog volop. Boer Jurre: “Hij heeft vanochtend vijf koeien gedekt, de bofferd.” Het klonk bijna jaloers.

Week 7

De geur van gier

De een vindt het heerlijk, de ander knijpt snel zijn neus dicht: de geur van gier. En bijna is het weer zover: vanaf 16 februari is het voor boeren toegestaan de mestkelder onder de stal leeg te pompen en de dunne koeienpoep op het land uit te rijden. Als voeding voor de bodem – onderdeel van de kringloop. Hoeveel kilo mest er in de wei terecht mag komen, hangt af van het type boerderij: gangbare boeren mogen (meestal) 250 kilo stikstof per hectare uitrijden, voor biologische boeren geldt een norm van 170 kilo stikstof. Ook is er een verschil tussen ondergronds en bovengronds bemesten. Om de uitstoot van ammoniak te beperken, moet de drijfmest ín de grond worden gespoten. Er zijn echter boeren die beweren dat dit niet goed is voor het bodemleven en dat de mest beter óp het land kan worden gestrooid. Er is daarom een ontheffing voor boerderijen (waaronder De Groene Griffioen) die aan een streng eisenpakket voldoen. Zo moet de mest geproduceerd zijn op het eigen bedrijf, mag deze niet binnen 2 meter van een sloot worden uitgereden en moeten de melkkoeien minimaal 150 dagen per jaar 6 uur in de wei staan. Best ingewikkeld, al die regels. Maar de geur van gier maakt – wat mij betreft – alles goed. 

Week 8

Vers vlees

Het is nooit een leuk moment, maar één keer in de vier maanden brengen we een koe naar de slager. Bijvoorbeeld omdat ze niet drachtig wil worden, of omdat ze nauwelijks nog melk geeft. En dan is het hard maar simpel: dan kost ze meer dan dat ze opbrengt. Na een lange zoektocht hebben we gelukkig een goede slager gevonden: hij is Skal-gecertificeerd (=biologisch), weet de juiste kruiden – aan bijvoorbeeld de hamburgers en saucijzen – toe te voegen en verpakt het vlees vacuüm. Ideaal voor de verkoop vanuit onze boerderijwinkel. Het enige nadeel: de slager woont in Oene. Op de Veluwe, ten oosten van Epe. En dat is een uur rijden. Niet alleen voor ons, maar ook voor de koe. Enfin, vanwege de voorjaarsvakantie ging Hanna met haar zoontjes (6en4) het vlees ophalen. Met de bestelbus, want van één koe krijg je met gemak 20 kratten vlees. Sukade, biefstukken, soeppakketten. Alleen al voor het gehakt heb je een paar kratten nodig. Aangekomen in Oene bracht de slagersvrouw hen naar de koelcel, waar koe 4102 diepgevroren en in kleine porties klaarlag. “Volgens mij beweegt ze niet meer”, zei de oudste zoon aarzelend. “Lekker, hamburgers”, riep de jongste. Hanna bekeek de riblappen en entrecotes: mooi gemarmerd vlees. Ook de slagersvrouw knikte goedkeurend: “Zo zien we ze het liefst.”